Leren over verkeer 16 - 24 jaar
Vanaf 16 jaar wordt voor veel jongeren de actieradius met een nieuwe modaliteit uitgebreid: de snor- of bromfiets. Deelname aan het verkeer met een bromfiets vormt een meer complexe verkeerstaak dan verkeersdeelname met de fiets. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de vele ongevallen waarbij bromfietsers betrokken zijn. De bromfiets is een van de gevaarlijkste vervoermiddelen, zeker voor jongeren.
Vanaf het 18e jaar vindt er nog verdere uitbreiding in de actieradius plaats: men kan vanaf die leeftijd het rijbewijs halen en zich daarmee ook in de auto of op de motor in het verkeer begeven. De statistieken laten zien dat onder jonge, beginnende bestuurders verhoudingsgewijs veel ongevallen plaatsvinden. Na twee tot drie jaar rijervaring vlakt het risico af en daalt het risico van jongeren naar dat van meer ervaren bestuurders.
Zoals gezegd zijn jongeren vooral in de eerste drie jaar na het behalen van het rijbewijs als bestuurder van een auto of motor bij een ongeval betrokken. Daarbij blijkt niet alleen gebrek aan ervaring een rol te spelen. Beginnende bestuurders, die al wat ouder zijn, hebben een duidelijk lager ongevalsrisico dan jongere. Bovendien hebben jonge, ervaren bestuurders een hogere ongevalskans dan oudere ervaren bestuurders. Het gaat dus om een combinatie van leeftijdsspecifieke factoren én rijervaring.
De kennis gaat bij deze leeftijdsgroep (in tegenstelling tot in de voorgaande fase: 12 - 16 jaar) weer een belangrijke rol spelen. Men moet weten hoe men zich op de brommer, in de auto of op de motor in het verkeer dient te gedragen. De rijopleiding heeft hier een belangrijke functie in. Kennis van en inzicht in ongevalsrisico’s en risicofactoren (alcohol, snelheid, rijden onder moeilijke omstandigheden) en een reële inschatting van de eigen rijvaardigheid zijn daarbij belangrijke aandachtspunten. De zogenaamde ‘illusie van beheersbaarheid’ draagt ertoe bij dat jongeren geneigd zijn de risico’s op en consequenties van een ongeval te onderschatten.
Ook vaardigheid gaat weer een belangrijke rol spelen. Nieuwe verkeerstaken dienen door intensieve oefening eigen gemaakt te worden. Automatisering en transfer worden weer relevant. Nieuwe taken leiden er namelijk toe dat snel interferentie plaatsvindt. De jonge automobilist of motorrijder is snel afgeleid, zeker in combinatie met alcoholgebruik. Na verloop van tijd ontwikkelt de jongere een eigen rijstijl. Hij of zij ervaart dat risicovol en roekeloos rijgedrag vaak toch goed afloopt. Dit heeft tot gevolg dat jongeren zich verkeerde (lees verkeersonveilige) rijgewoonten gemakkelijk eigen maken.
Verantwoordelijkheidsbesef, voor zichzelf maar ook voor anderen, is een belangrijk aandachtspunt in de educatie. Hierbij dient aansluiting gezocht te worden met de basis die reeds in de voorgaande fase is gelegd. Het besturen van een motorvoertuig kan binnen deze doelgroep als een soort katalysator werken voor ‘oneigenlijke’ behoeften of motieven. De jongere kan het gevoel van innerlijke autonomie versterken door - agressief - verzet (‘acting out’). Het gevoel van veiligheid en erkenning kan door - kinderlijk - competitiegedrag en indruk willen maken versterkt worden. Het is van belang bij de verkeerseducatie, gericht op de doelgroep beginnende bestuurders, rekening te houden met deze op het eerste gezicht irrationele motieven. Deze motieven kunnen een belangrijke barrière vormen voor het ‘willen’, het vertonen van het gewenste gedrag.




